Bedrijfsarts Ernst Jurgens: 'KME zijn een onderschat arbeidsrisico'

De Gezondheidsraad heeft in 2026 een belangrijk advies uitgebracht over kerosinemotoremissies, kortweg KME. Dat advies verdient de aandacht van alle arbokerndeskundigen.

Bedrijfsarts Ernst Jurgens: 'KME zijn een onderschat arbeidsrisico'
Bedrijfsarts Ernst Jurgens

Waarom is het advies van de Gezondheidsraad van belang voor arbokerndeskundigen? Omdat het rechtstreeks raakt aan de kern van ons vak. Namelijk risico's tijdig herkennen, blootstelling zo goed mogelijk beoordelen en gezondheidsschade voorkomen voordat deze onomkeerbaar wordt.

KME zijn veel meer dan alleen 'uitlaatgassen'. Het gaat om een complex mengsel van ultrafijne deeltjes, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's), vluchtige organische stoffen, aldehyden, metalen, stikstofoxiden en zwavelverbindingen. De precieze samenstelling varieert. Het motortype speelt een rol, maar ook de brandstof, de belasting van de motor en de omstandigheden waaronder deze draait.

Ultrafijne deeltjes verdienen aandacht

Vooral de ultrafijne deeltjes (ultrafine particles of UFP), kleiner dan 100 nanometer, vragen aandacht. Zij kunnen diep doordringen tot in de longblaasjes en biologische barrières passeren. Een deel kan mogelijk via de bloedsomloop andere organen bereiken. De potentiële gezondheidseffecten beperken zich daardoor niet tot de luchtwegen, maar kunnen ook systemisch van aard zijn (WHO, 2021; Lelieveld et al., 2026).

De hoogste blootstelling aan KME treedt op bij werknemers die dagelijks op of rond het platform werken. Denk aan bagagemedewerkers, vliegtuigtechnici, pushbackchauffeurs, marshallers en andere medewerkers van de grondafhandeling. Bij deze werknemers gaat het doorgaans niet om een eenmalige piek, maar om herhaalde blootstelling gedurende vele jaren. Juist die cumulatie is vanuit arbeidsgeneeskundig perspectief relevant.

Carcinogeen 1B: niet het hele verhaal

De Gezondheidsraad (2026) concludeert dat het directe epidemiologische bewijs voor de kankerverwekkende eigenschappen van KME nog beperkt is. Daar staat tegenover dat er ruim epidemiologisch en toxicologisch bewijs bestaat voor de carcinogene eigenschappen van dieselmotoremissies (DME). Bovendien bevatten zowel KME als DME verschillende stoffen en stofgroepen waarvan de kankerverwekkende eigenschappen al bekend zijn.

Dieselmotoremissies zijn door het International Agency for Research on Cancer geclassificeerd als kankerverwekkend voor mensen, Groep 1 (IARC, 2014). Vanwege de overeenkomsten in samenstelling en toxicologische eigenschappen adviseert de Gezondheidsraad (2026) om KME te classificeren als verondersteld kankerverwekkend voor mensen, EU-gevarencategorie 1B. Door het ontbreken van voldoende kwantitatieve gegevens kon nog geen gezondheidskundige advieswaarde voor KME als mengsel worden afgeleid.

Die classificatie is een zwaarwegend signaal, maar beschrijft niet het hele gezondheidsvraagstuk. KME vormen een complex emissiemengsel. De mogelijke effecten beperken zich daarom waarschijnlijk niet tot kanker, maar omvatten ook respiratoire (ademhaling), cardiovasculaire (hart en bloedvaten) en andere systemische effecten.

Daarbij is enige terughoudendheid nodig. Het bewijs voor cardiovasculaire en respiratoire effecten van luchtverontreiniging is sterker dan het directe bewijs voor bijvoorbeeld neurodegeneratieve aandoeningen door beroepsmatige blootstelling aan KME.

Cardiologische preventie luchtverontreiniging

Grote Europese en Amerikaanse cardiologische organisaties erkennen inmiddels nadrukkelijk de cardiovasculaire betekenis van luchtverontreiniging. De American College of Cardiology, de American Heart Association, de European Society of Cardiology en de World Heart Federation vragen om de milieugebonden risicofactoren niet langer als een randverschijnsel te behandelen, maar als onderdeel van cardiovasculaire preventie. Artsen krijgen de oproep om blootstelling bespreekbaar te maken, waar mogelijk te beperken en zich ook uit te spreken voor structurele bronmaatregelen (Anderer, 2026).

Deze cardiologische aanbevelingen hebben betrekking op luchtverontreiniging in brede zin en niet specifiek op beroepsmatige KME-blootstelling. Toch zijn deze aanbevelingen relevant. Zij ondersteunen namelijk de biologische plausibiliteit en de preventieve betekenis van de ultrafijne fractie binnen KME.

Gezondheidswinst door minder blootstelling UFP?

Een recente internationale modelstudie plaatst de mogelijke omvang van het UFP-vraagstuk verder in perspectief. Lelieveld et al. (2026) schatten de mondiale sterfte die samenhangt met blootstelling aan ultrafijne deeltjes indicatief op 1,99 miljoen vroegtijdige sterfgevallen per jaar, met een ruime onzekerheidsmarge.

Dat cijfer moeten we daarom niet als een exact mondiaal sterftegetal lezen. De studie betreft bovendien de algemene buitenlucht. We kunnen die niet rechtstreeks vertalen naar het individuele beroepsrisico van een platformmedewerker. De bevindingen maken wél duidelijk dat UFP geen verwaarloosbare deeltjesfractie is en dat blootstellingsreductie relevante gezondheidswinst kan opleveren.

Dit betekent het voor de werkvloer

Werkgevers zijn op grond van de Arbeidsomstandighedenwet verplicht om gezondheids- en veiligheidsrisico's door gevaarlijke stoffen zoveel mogelijk te voorkomen. En om, wanneer dat niet mogelijk is, de blootstelling zo veel mogelijk te beperken. De voorgestelde classificatie als carcinogeen categorie 1B maakt KME daarmee niet alleen tot een wetenschappelijk vraagstuk, maar ook tot een zwaarwegend preventief aandachtspunt.

De Europese regelgeving voor carcinogene, mutagene en reprotoxische stoffen (CMR-stoffen) vereist dat blootstelling waar mogelijk wordt voorkomen en anders wordt teruggebracht tot een niveau dat zo laag is als technisch mogelijk (Europese Unie, 2022). Een grenswaarde geeft daarbij geen garantie dat onder die waarde geen restrisico meer bestaat.

STOP-strategie

De STOP-strategie geeft richting aan de volgorde van handelen.

Substitutie: Bij KME betekent substitutie vooral dat processen en apparatuur die emissies veroorzaken waar mogelijk worden vervangen. Denk aan verdere elektrificatie van grondmaterieel, beperking van draaiende motoren en inzet van alternatieve energievoorzieningen.

Technische maatregelen: Daarna volgen technische maatregelen, zoals afscherming, ventilatie en aanpassing van rij- en opstelroutes.

Organisatorische maatregelen: Deze maatregelen kunnen de resterende blootstelling verder beperken. Bijvoorbeeld door de verblijfsduur in emissiepluimen te verkorten en werkzaamheden anders te plannen. Daarbij is het zaak te voorkomen dat door taakroulatie juist meer werknemers aan KME worden blootgesteld.

Persoonlijke beschermingsmiddelen: Deze blijven de laatste verdedigingslinie.

WHO Global Air Quality Guidelines

Ook de WHO Global Air Quality Guidelines zijn van betekenis. De WHO heeft voor UFP nog geen numerieke advieswaarde vastgesteld, maar formuleert wel aanbevelingen voor meting, broninventarisatie en blootstellingsreductie (WHO, 2021).

Deze richtlijnen zijn opgesteld voor de algemene buitenlucht en vormen geen beroepsmatige grenswaarden. Hun betekenis ligt vooral in een belangrijk uitgangspunt: het ontbreken van een numerieke grenswaarde mag niet worden uitgelegd als het ontbreken van een gezondheidsrisico.

Dit moeten arbokerndeskundigen met KME

Voor de arbokerndeskundigen betekent dit dat zij KME herkenbaar en toetsbaar in de RI&E moeten opnemen. Daar horen een plan van aanpak, representatieve blootstellingsmetingen en periodieke evaluatie van de beheersmaatregelen bij. Alleen meten is niet genoeg. Maar maatregelen treffen zonder vervolgens vast te stellen of de blootstelling daadwerkelijk afneemt, evenmin.

Voor de bedrijfsarts ligt daarnaast een populatiegerichte opdracht. Niet alleen individuele klachten beoordelen, maar ook patronen signaleren binnen groepen werknemers. Het Periodiek Arbeidsgezondheidskundig Onderzoek (PAGO) en het preventief spreekuur kunnen daarbij worden verbonden met arbeidshygiënische blootstellingsgegevens. Denk bij die laatste aan UFP-aantallen, black-carbonmetingen, functie, werklocatie, blootstellingsduur en toegepaste beheersmaatregelen. Beoordeling van gezondheidsuitkomsten vindt daarbij vanzelfsprekend geanonimiseerd en op groepsniveau plaats.

Naar een exposoomgerichte benadering

Zo ontstaat een exposoomgerichte benadering. Daarin staat niet één afzonderlijke stof of één momentopname centraal, maar de totale, cumulatieve blootstelling tijdens het leven. Werknemers worden immers niet uitsluitend tijdens het werk blootgesteld. Beroepsmatige emissies maken deel uit van een breder exposoom waarin ook omgevingslucht, klimaatfactoren en individuele gevoeligheid een rol spelen.

Dat raakt ook aan de bredere samenhang tussen arbeidsgezondheid, luchtverontreiniging, klimaatverandering en planetary health ('gezondheid' van de aarde en haar ecosystemen (red.)). Van der Valk et al. (2026) laten bij werkgerelateerde astma zien dat beroepsmatige en omgevingsgebonden blootstellingen elkaar kunnen versterken. Dit maakt het kunstmatige onderscheid tussen 'werk' en 'omgeving' steeds minder houdbaar.

Niet alle wetenschappelijke onzekerheden zijn opgelost. Maar voor uitstel van bronmaatregelen biedt die onzekerheid steeds minder rechtvaardiging. Daar ligt nu een gezamenlijke opdracht voor alle arbokerndeskundigen.

Mijn artikeloverzicht kan alleen gebruikt worden als je bent ingelogd.